Bij het beëindigen van een huwelijk komt vaak de vraag naar voren hoe om te gaan met een eenmanszaak die één van de echtgenoten vóór het huwelijk is begonnen. Artikel 1:95a van het Burgerlijk Wetboek speelt hierbij een belangrijke rol. Dit artikel regelt de redelijke vergoeding voor vaardigheden, kennis en arbeid die tijdens het huwelijk in de onderneming zijn gestoken. In dit artikel leggen we uit hoe deze vergoeding kan worden berekend en tegen welke problemen men kan aanlopen.
Berekeningswijze van de redelijke vergoeding
De wetgever heeft bewust geen vaste methode voor de berekening van deze vergoeding vastgelegd, maar geeft wel richtlijnen. De vergoeding kan worden gekoppeld aan de winst van de onderneming. Echter, vooral bij startups, is dit geen betrouwbare maatstaf. Een andere methode is het kijken naar een norminkomen, wat een vergelijkbaar inkomen zou zijn in loondienst.
De initiatiefnemers van de wet stellen het volgende stappenplan voor: 1. Bepaal eerst of er tijdens het huwelijk inspanningen voor de onderneming zijn verricht. 2. Daarna moet worden vastgesteld of voor deze inspanningen al een redelijke beloning aan de gemeenschap is gegeven door bijvoorbeeld de toegenomen waarde van de onderneming of winstuitkeringen aan de gemeenschap.
Is dit niet het geval, dan worden andere artikelen van het Burgerlijk Wetboek van kracht om alsnog een vergoeding te bepalen.
Problemen bij de toepassing van het vergoedingsrecht
Een ondernemer kan de winst op verschillende manieren eigen maken, zoals via dividenduitkeringen of een redelijk directeurssalaris. Dit kan ertoe leiden dat het vergoedingsrecht aan het einde van het huwelijksvermogensregime wordt bemoeilijkt, vooral als de continuïteit van de onderneming hierdoor in gevaar komt.
De indieners van het wetsvoorstel erkennen dit probleem en waarschuwen dat de zogenaamde uitkeringstest volgens artikel 216 Boek 2 BW niet voldoende is als maatstaf voor een redelijke vergoeding. Het risico bestaat dat er reeds voor de scheiding geld uit de onderneming is gehaald, wat een eerlijke compensatie bemoeilijkt.
Wanneer bestaat er geen additioneel vergoedingsrecht?
Als de ondernemer een redelijk bedrag uit de onderneming ten goede laat komen aan de gemeenschap of daarmee gemeenschappelijke schulden betaalt, vervalt het aanvullende vergoedingsrecht dat artikel 1:95a BW biedt. Deze vergoeding wordt geacht al gerealiseerd te zijn als het salaris van de ondernemer binnen de gemeenschap valt.
Het is belangrijk om bij deze kwesties juridisch advies in te winnen om te zorgen dat beide partijen op een eerlijke en juridisch correcte wijze worden gecompenseerd.